cuny holthuis

Ik ben geboren in oktober 1943, als jongste van zeven kinderen. Mijn ouders waren lid van de NSB. In september 1944, op Dolle Dinsdag, vlucht mijn moeder met zeven kinderen richting Duitsland. Daar worden we opgevangen in een gymnastiekzaal in het dorp Ebstorf op de Lüneburgerheide, waar we een half jaar met 89 vrouwen en kinderen zullen wonen. Vanwege de chaotische situatie tegen het einde van de oorlog raakt ons gezin versplinterd. Mijn moeder en de jongste vijf kinderen, inclusief ikzelf, keren eind maart 1945, vlak voordat de oorlog is afgelopen, terug naar Nederland. Twee weken later wordt mijn moeder opgepakt, waardoor wij als kinderen alleen achterblijven. Veel mensen kijken ons met de nek aan en wij waren doodsbang. Uiteindelijk worden wij in verschillende pleeggezinnen geplaatst.

Ik beland in een crèche en daarna op verschillende andere plekken, die niet meer te achterhalen zijn. Met 4 jaar kwam ik, ernstig verwaarloosd, bij twee dames te wonen waar ook een oudere broer al is. Die zorgen goed voor mij totdat in 1952, als ik 8 jaar oud ben, ons gezin herenigd wordt. Al snel blijkt dat dit voor mij rampzalig is, ik kende mijn eigen broers en zussen niet en ouderlijke regie en hulp van buitenaf ontbreekt. Wij allen, kinderen en ouders, zijn getraumatiseerd. In mijn hoofd schiep ik een eigen, veilige wereld met een fantasiefamilie. Pas later leerde ik mijn trauma’s een plek te geven.

Mijn levensloop laat zien hoe je als kind ongewild door een oorlog wordt gevormd en hoe je naar aanleiding van de oorlog door anderen behandeld wordt. Maar ook dat je, ondanks zo’n chaotische en onveilige jeugd, er weer bovenop kunt komen en anderen daarmee kunt helpen. Ik ben jarenlang voorzitter geweest van een organisatie voor hulp aan (klein)kinderen van politiek ‘foute’ ouders en Duitse militairen. Daarin heb ik ervaren hoe belangrijk het is om actief aan de slag te gaan met je trauma’s en op te komen voor jezelf.