Marita Simons-deen
Ik, Marita Simons-Deen, ben geboren in 1942 in Amsterdam. Mijn ouders waren beiden Joods en zijn in 1941 getrouwd. Mijn vader, Louis Deen, was Nederlander. Mijn moeder, Gretel Kaufman, is in 1933, toen Hitler aan de macht kwam, uit Duitsland gevlucht. Bij een razzia op 27 mei 1943 zijn mijn ouders opgepakt en gedeporteerd naar Westerbork. En op 1 augustus 1943 zijn ze gedeporteerd naar Auschwitz. Mijn moeder heeft in de diverse concentratiekampen als verpleegster gewerkt en heeft zo al de ellende overleefd. Mijn vader is in februari 1944 aan tyfus bezweken.
Ik ben als onderduikster verraden en kwam op 27 juli 1944 in Westerbork in de Weeshuisbarak terecht. Uiteindelijk waren wij met 50 kinderen, die verraden waren, terecht gekomen in het weeshuis. We werden de “Gruppe Unbekannte Kinder” genoemd, omdat we alleen onze onderduiknaam kenden en soms nog niet konden praten. Bij het laatste transport vanuit Westerbork op 13 september werd onze groep Onbekende Kinderen gedeporteerd naar Bergen-Belsen en in november naar Theresienstadt. Daar zijn we in mei 1945 door de Russen bevrijd.
Ik heb geen herinnering aan de oorlogsjaren en ook niet aan de hereniging met mijn moeder. Er werd niet over de oorlog gesproken. Pas later ontdekte ik dat op mijn lagere school, middelbare school en bij mijn studie veel overlevenden zaten. Mijn oorlogskennis heb ik de laatste 15 jaar bij elkaar gepuzzeld. Er blijven nog veel vragen. Sinds de oorlog in Oekraïne, waar net als in WO ll sprake is van geweld, vernielingen en landjepik, heb ik het gevoel dat ik nu in de Tweede Wereldoorlog ben beland.