Nanny spier
Ik ben Nanny Spier, geboren op 1 juli 1938 in Scheveningen. Samen met mijn zusje Sonny en onze Joodse ouders, vader Heiman Spier en moeder Eva Spier Schaap, leefden we een vrolijke jeugd in Scheveningen tot 1942.
In 1942 werden wij door de Duitsers gedwongen om naar Amsterdam te gaan. Daar werden wij ondergebracht in de Rijnstraat, het joodse getto van Amsterdam. We moesten een woning delen met een vreemd echtpaar. Na 14 dagen werd er hard op de deur gebonkt en werden we overvallen door de Duitsers. ‘‘Mitkommen’’ werd er geschreeuwd. Alle Joden moesten mee, ook mijn ouders. Het was rond zes uur ’s avonds. Mijn zus en ik stonden voor het raam en we zagen hoe papa en mama in een vrachtwagen werden gesmeten en afgevoerd.
Mijn zusje en ik mochten niet mee met onze ouders! Wij waren 4 en 13 jaar en bleven hopeloos alleen achter in dat huis. Samen brachten we de nacht door in het bed van mijn ouders, doodsbang. Mijn zusje wist dat er een zuster van mijn moeder in Amsterdam Oost woonde. Daar zijn we naartoe gegaan uren lopend, Joden mochten niet met de tram reizen. We kwamen bij een zuster van mijn moeder terecht die zorgde voor een onderduikadres. Het bloesje dat ik droeg tijdens mijn onderduik heeft alles overleefd. Dat heb ik thuis ingelijst. In totaal zijn we samen bij vijf gezinnen ondergedoken. Steeds was er gevaar en moest er een adres gezocht worden. De laatste anderhalf jaar van de oorlog zijn we beiden in een ander gezin ondergedoken. Ik kwam in Zeeland terecht in Schravenpolder waar ik een nieuwe naam kreeg: Elly (Elsje) Zuidervliet. Ik had alleen de kleren die ik aanhad bij me, een koffertje mocht niet. Wel had ik een heel mooi, groot prentenboek mee. Dit heb ik zo’n beetje heel de oorlog onder mijn schouder meegenomen. Ik kende hem helemaal uit mijn hoofd. Bij het laatste adres in Zeeland ben ik nog anderhalf jaar tot aan de bevrijding geweest. Na de bevrijding hoorde ik dat mijn ouders niet meer leefden. Ze waren in Kamp Auschwitz vermoord, vrijwel meteen na aankomst in 1942.
Sonny en ik keerden terug naar onze tante en oom in Amsterdam. Het was een moeilijke overgang van een dorp naar een appartement. Toen ik 10 was, ging Sonny werken in een ziekenhuis en bleef ik achter bij onze tante en oom. Zij deden hun best, maar wisten niet goed hoe ze voor mij moesten zorgen. Het was een eenzame jeugd.
Hoewel de oorlog een vreselijke start aan mijn leven gaf, heb ik me ontwikkeld tot een energieke en ondernemende vrouw. Pas later in mijn leven begon ik te beseffen hoeveel de oorlog mij heeft aangetast, en ging ik me steeds meer verdiepen in het Jodendom, iets dat ik lang had vermeden omdat het te veel pijnlijke herinneringen opriep.